Leeg

Hij wil dat ik zeer binnenkort bij hem langskom. Hij moet me wat vertellen dat belangrijk is. Hij klinkt serieus. Hij wil wat zaken geregeld hebben voor het geval er iets met hem gebeurt.

Als ik bij hem binnenkom is hij blij. Hij is altijd blij als ik er ben. Koffie, iets lekkers, hij zorgt er voor. Dan moet ik plaatsnemen achter zijn computer en wil hij dat ik inlog met zijn wachtwoorden die op een lijstje staan dat naast de computer ligt.
Hij leidt me door zijn privé-bestanden en houdt me nauwlettend in de gaten. Hij heeft zijn huis-tuin-en-keuken administratie keurig op orde. Het lijkt me een peulenschil om in geval van calamiteiten zijn betalingen, correspondentie of contacten bij te houden.

Ongevraagd zie ik ook zijn favoriete sites. Ik wil niet kijken, maar zie ze wel. Nee, het gaat me niet aan. Ik wil het niet zien, het is niet voor mijn ogen bedoeld. Hij ziet aan mij dat ik zijn bezochte sites heb gezien en vraagt tussen neus en lippen of ik er van schrik.
Ik voel dat het hier om een delicaat gespreksonderwerp gaat en besluit mijn gedachten niet op hol te laten slaan maar te luisteren naar wat hij me zeggen wil, en zeg: “ik schrik niet zo snel hoor”.
Dan legt hij uit dat het leven voor hem al lang geen kwaliteit meer heeft. Hij wil er mee stoppen. Hij kan hierbij niet rekenen op medewerking van huisarts of andere hulpverleners. En daarom is hij zelf gaan zoeken naar oplossingen. Met succes. Hij heeft de benodigdheden in huis gehaald en is er bijna klaar voor. Graag wil hij dat ik zijn uitvaart verzorg. Hij wil het op dezelfde manier als destijds bij zijn vrouw. De adressen voor de rouwkaarten, de muziek bij de crematie, ik kan het allemaal in zijn computer vinden.
Terwijl ik naar hem luister zie ik de opluchting in zijn ogen en in zijn lijf. Hij zit er ontspannen en tevreden bij. Zelf blijf ik ook verbazingwekkend rustig, want ik begrijp wat hij bedoelt. Ik ken hem goed en lang genoeg om te weten dat het leven voor hem al lang niet meer zo goed is. Ook zijn gezondheid laat steeds meer te wensen over. Wie ben ik om te oordelen over zijn grootste wens. Het is zijn leven waarvan hij de regie in eigen hand wil nemen. Samen luisteren we naar zijn uitgekozen muziek.

Ik moet hem beloven er met niemand over te spreken en het voorlopig naast me neer te leggen. We nemen afscheid van elkaar zoals altijd. Er is op dat moment niets in mij dat op alarm gaat. Het voelde zelfs goed met hem hierover te praten. Een klein stemmetje in me zegt me dat het niet zo een vaart zal lopen. Er is nogal wat moed voor nodig.

Gisteren was het zeven weken geleden dat hij de onomkeerbare daad bij het woord heeft gevoegd.
De uitvaart was naar zijn wens en mooi, de crematie is achter de rug en zijn huis leeg. Ik voel me ook leeg. Maar ook verdrietig over de eenzaamheid waarin hij bewust het leven heeft verlaten. Waarom kan er niet op zijn rouwkaart staan: “omringd door zijn dierbaren.”? Ik had hem graag een einde in liefdevollere omstandigheden toegewenst.


©Lizziebizzies, 21 december 2019