Campinglife

Het geluid van een fluitende fluitketel haalt mij uit mijn droom. Mijn boek ligt nog opengeklapt op schoot. Ik moet in slaap zijn gevallen terwijl ik voor de caravan zat te lezen. Dit geluid heb ik lang niet meer gehoord. Het geeft me een vertrouwd gevoel. Een gevoel van vroeger toen het leven nog simpel was. Voor mij is kamperen met een caravan ook heerlijk simpel.  Waar ik me thuis druk over kan maken stelt in een caravan niets voor. De eerste dagen van de vakantie plannen we nog volop waar we overal naar toe zullen gaan en hoe laat. Waar en wanneer we gaan eten of de boodschappen doen en hoe laat we gaan zwemmen. Maar na een dag of drie passen we ons ritme aan aan de Spaanse zon en aan het campingleven. En ineens hebben we tijd genoeg. Tijd om te luieren, te lezen en het campingleven van de andere gasten legitiem te observeren. Vooral van het observeren kan ik eindeloos genieten. Het is een doorlopende theatervoorstelling in verschillende talen.

Ik denk terug aan mijn eerste vakantie met caravan in 1969. Mijn moeder moest er niets van hebben, van kamperen, maar mijn vader was er wel voor in. En zoals dat vroeger ging in het huwelijk van mijn ouders deed deze keer mijn moeder water bij de wijn en huurde mijn vader een caravan voor twee weken bij de Messemaker in Cuijk. Omdat Cuijk niet heel erg ver weg was, kon mijn vader de tweede week gewoon doorwerken en kwam hij na zijn werk met de auto weer terug naar de camping.

De Messemaker was een speeltuin met een stukje bos waar je ook kon kamperen. Al jaren lang bezochten we deze speeltuin op een zomerse zaterdag of zondag. Als mijn vader het liedje ”Naar de speeltuin”  floot (“…Heeft mama een goede bui en is papa niet te lui…”) wist ik hoe laat het was. Mijn grootste droom was er ook eens te kamperen in een caravan.

Daar, in vooral die eerste week ergens in juli 1969, is mijn liefde voor de caravan ontstaan . Het was een piepklein knus wit huisje op wielen met, in mijn ogen, alles er op en er aan.  ’s-Avonds speelden we, dicht tegen elkaar aan, een kaartspel bij een soort gaslampje. Het water voor een kopje thee moest met een voetpomp omhoog worden gebracht, zodat het door een flexibele kraan naar buiten kwam. Het 2-pits gaskomfoor, dat onder een formica aanrechtklep verborgen zat, zorgde er voor dat de aluminium fluitketel snel van zich liet horen. De tafels met banken moesten elke avond omgebouwd worden tot bedden, waarin we nog lang lagen te praten of te lachen.

Mijn moeder, die van ruimte en vrijheid hield, deed haar uiterste best om er een fijne vakantie van te maken. Samen met mijn vader kwam ze op een dekentje bij het zwembad zitten. Mijn vader in alleen een korte broek (dit was zeldzaam) en mijn moeder met spierwitte benen in een zomerjurkje! Zwembroek, badpak of bikini kwamen niet voor in hun garderobe.
Ook maakten we overdag soms een uitje met de auto en kregen we onderweg een ijsje. Onder het mom van het wisselen van vieze voor schone was, lukte het mijn moeder mijn vader zo ver te krijgen ook even langs huis te rijden. Het deed mijn moeder zichtbaar goed thuis even de plantjes te verzorgen en wat schone kleding in te pakken. Vervolgens maakte zij zich weer sterk om er nog een week tegenaan te gaan.

De tweede week werd een regenweek. Het geluid van de regen was oorverdovend. De oranje katoenen voortent (een TenCate, als ik me niet vergis) en het oranje plastic dakvenster bleven dicht, waardoor het interieur een vreemde oranje gloed kreeg. Het emmertje met deksel in de voortent (een chemisch toilet bestond nog niet) raakte snel vol. De klapstoelen en –tafel stonden doelloos in de voortent. Het plastic vliegengordijn met verschillende kleuren repen, hing voor de openstaande tweedelige buitendeur. Op het ijzeren opstapkrukje en op de plastic vloerbedekking lag een vochtige dweil.
We kwamen de dag door met slapen, spelletjes doen, broodjes eten, netsen (dat krijg je met drie vrouwen van 47, 14 en 7 jaar op een paar vierkante meter), het lezen van boeken en tijdschriften of luisteren naar de radio.  Als mijn vader ’s-avonds eindelijk van zijn werk kwam hadden we weer een auto en zochten we een “friettent” op. Het was tenslotte nog steeds vakantie.
Tot de dag dat mijn moeder er genoeg van had! Vandaag geen spelletjes of lezen. We gingen uit, weer of geen weer! Voor we het wisten zaten we in de bus richting station Cuijk. En nog vóór de lunch waren we weer thuis! Nu was het de beurt van mijn vader om water bij de wijn te doen.

Nooit meer hebben we gekampeerd met ons gezin. Als we al op vakantie gingen, dan was het voor maximaal twee dagen met een hotelovernachting. Nog jaren werd de kleur oranje in huis gemeden. Het emmertje met deksel werd voortaan het campingemmertje genoemd.

Met een glimlach leg ik mijn boek op de campingtafel met verstelbare pootjes en kijk tevreden om me heen. Ik hoor en zie de buurjongens met elkaar netsen. Aan de andere kant hoor ik de buurvrouw haar dochters toespreken dat ze hun rommel moeten opruimen. Het heeft geen zin. Ze staren geconcentreerd naar hun mobieltje en hebben de oortjes in.

“Kom we gaan naar zee. Afkoelen en uitwaaien. Laten we daarna wat gaan eten.”
En … we gaan nog lang niet naar huis!

©Lizziebizzies, Spanje augustus 2019